Het succes van de universitaire opleiding wordt tegenwoordig gemeten in slagingspercentages, niet in termen van intellectuele vorming, constateert de Twentse hoogleraar Stefano Stramigioli. Hij weet hoe dat komt: het primaat van academisch onderwijs ligt niet langer bij academici.
Als universiteiten autofabrieken zouden zijn, moeten ze BMW’s, Audi’s en zo nu en dan een Ferrari afleveren, vindt Stefano Stramigioli. Niet dat er iets mis is met een Fiat Panda of Hyundai, maar er zijn genoeg fabrieken die zulke auto’s kunnen maken. Het is de natuurlijke missie van universiteiten om zich op het topsegment te richten, het segment waar voortdurend grenzen worden verkend en verlegd.
Stramigioli zegt hiermee niets controversieels, zou je zeggen. Maar tot zijn grote spijt ziet de Twentse hoogleraar de verf van de academische idealen bladderen. De kwaliteit van het onderwijs kachelt achteruit, constateert hij, óók in de technische wetenschappen. En erger nog, die neergang is niet het gevolg van goedbedoelde beslissingen die averechts uitpakken, maar van bewust beleid. Universiteiten zetten willens en wetens in op Volkswagen Polo’s.
‘Er worden beslissingen genomen met het oog op kwantiteit, niet kwaliteit’, zegt Stramigioli. Deze trend herleidt hij tot een dieperliggend probleem: binnen universiteiten ligt het primaat niet langer bij de academische staf, maar bij bestuurders die niet betrokken zijn bij onderwijs en onderzoek. ‘Bestuurders en ondersteunende diensten zouden faciliterend moeten zijn. Nu is het omgekeerd. En dat is rampzalig voor de kwaliteit. We moeten denkers opleiden, geen aapjes die trucjes kennen’, aldus Stramigioli.
Wassen neus
Stramigioli (57) groeide op en studeerde in Italië en werkte zes jaar in Delft voordat hij bijna drie decennia geleden naar de Universiteit Twente verhuisde. Hij is internationaal vermaard systeemtheoreticus en roboticaonderzoeker, zoals onder meer blijkt uit zijn status als IEEE Fellow en de toekenning van de prestigieuze ERC Grant.
De afkalvende academische normen gaan de hoogleraar Advanced Robotics duidelijk aan het hart. Direct na het gesprek op zijn werkkamer valt op hoe de deemoed van hem afvalt en de twinkeling in zijn ogen terugkeert als hij het bezoek rondleidt langs zijn laboratoria en enthousiast vertelt over zijn onderzoek.
Stramigioli heeft al veel denkwerk in de kwestie gestopt, waarschuwde hij tijdens de e-mailwisseling die aan de ontmoeting voorafging. Dat blijkt geen grootspraak. De hoogleraar refereert tijdens zijn betoog regelmatig aan grote namen in de filosofie. Voor op zijn tong ligt Wilhelm von Humboldt, geestelijk vader van de academische vrijheid.
Het was Von Humboldt die bepleitte dat universiteiten inhoudelijk onafhankelijk van de overheid en andere externe krachten moeten opereren. De academische staf bestuurt zichzelf en bepaalt zelf hoe zij onderwijs geven en welk onderzoek zij doen (de koppeling tussen onderwijs en onderzoek op universiteiten is trouwens ook afkomstig van de Duitse denker). ‘Von Humboldt begreep dat degenen die onderwijs geven en onderzoek uitvoeren het beste weten wat daarvoor nodig is. Je moet hun vertrouwen geven. Dat vertrouwen is weg.’
Neem de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO), de verplichte certificering voor docenten. ‘Ik ben het er volledig mee eens dat onderwijs goed moet zijn’, benadrukt Stramigioli. ‘Maar de manier waarop dit wordt uitgevoerd, is absurd. Mensen die nooit op academisch niveau hebben gedoceerd, gaan mij vertellen hoe ik mijn vak moet geven.’
‘Ik weet hoe ik robotica moet doceren. Dat is geen arrogantie; dat is een feit.’ Toch moet hij rapportages schrijven en aantonen dat hij voldeed aan vooraf vastgestelde onderwijskundige kaders. ‘De BKO is een bureaucratische wassen neus. Window dressing.’ Stramigioli heeft er nooit aan meegedaan. ‘Ik geef les met passie, kennis en liefde en heb geen tijd voor onzin. Ontsla me maar, zeg ik dan. Maar dan ben ik weg met alles wat ik voor de organisatie doe.’ Tot ontslag is het natuurlijk nooit gekomen.
Een collega met een indrukwekkende internationale onderwijsreputatie moest het certificeringstraject ook doorlopen, vervolgt Stramigioli. ‘Tot bij MIT zeggen ze tegen studenten: volg de online cursus van die man. En hier zeggen we: u moet eerst een papiertje halen. Waar zijn we mee bezig?’

Tegengas
De betutteling is erg genoeg, maar Stramigioli ziet met lede ogen aan hoe het doorwerkt op het onderwijsniveau. ‘De kwaliteit gaat naar beneden. Dat zie ik overal.’ Een anekdote uit het begin van zijn carrière illustreert het probleem. Toen hij aan de TU Delft een vak overnam van een collega en de lat hoger legde, slaagde in het eerste jaar slechts een derde van de studenten. Hij werd op het matje geroepen door het onderwijsbureau. ‘Er werd alleen naar de cijfers gekeken, niet naar de inhoud.’
Studenten die het vak volgden, verdedigden hem in de commissie. ‘Ze zeiden: we zouden willen dat meer vakken zo waren.’ Stramigioli veranderde niets aan de inhoud. Het jaar erop slaagde twee derde en won hij de onderwijsprijs. ‘Als je het makkelijker maakt, slaagt driekwart en is er niets aan de hand. Maar als je het niveau hoog houdt en studenten harder moeten werken, dan word je aangesproken.’
Het bekostigingsmodel, waarin universiteiten geld krijgen per afgestudeerde student, speelt volgens Stramigioli een doorslaggevende rol bij deze knieval voor de middelmaat. ‘Honderd procent, geen twijfel mogelijk.’
Met een inmiddels lange staat van dienst en een internationale reputatie kan de hoogleraar het zich veroorloven om tegengas te geven. Maar lang niet iedere docent verkeert in die positie, realiseert ook Stramigioli zich. ‘Iemand die net begint, is voor zijn carrière afhankelijk van beoordelingen. Die past zich dus aan. Maar dan gaat het niveau meestal wel omlaag.’
Vrijwillig
Daarmee komt Stramigioli bij zijn volgende doorn in het oog: de massificatie van het hoger onderwijs. ‘De universiteit heeft het hoogste onderwijsniveau. Niet iedereen hoeft daar te zijn.’ Hij benadrukt dat dit geen waardeoordeel over mensen is. ‘Het gaat erom dat verschillende niveaus verschillende doelen hebben. Hogescholen, zoals hier in de buurt Saxion, zijn superwaardevol. Maar academisch onderwijs heeft een andere opdracht.’
De hoogleraar is kritisch op het bachelor-masterstelsel, dat in zijn ogen een luie kopie is van het angelsaksische model. Zelf kreeg Stramigioli tijdens zijn eerste twee jaren in Bologna uitsluitend wis- en natuurkunde, net als alle andere bètastudenten. ‘Dat was het fundament van een vijfjarige studie zonder tussendiploma. Nu moet je in drie jaar een bachelordiploma elektrotechniek halen. Dan heb je natuurlijk minder tijd voor de basisvakken en -vaardigheden.’
In het tijdperk van kunstmatige intelligentie is dat desastreus, stelt Stramigioli. ‘AI neemt ons veel werk uit handen. Ik gebruik het zelf ook veel. Maar juist daarom moeten we universitaire studenten meer dan ooit academische vaardigheden bijbrengen: kritisch en analytisch denken, abstractie en grondige beheersing van ons belangrijkste hulpmiddel, de wiskunde. Om prompts in ChatGPT te leren tikken, hoef je niet naar de universiteit.’
Tegelijk lijden excellente studenten onder de afkalvende kwaliteit. ‘Ik heb een groepje van zes studenten dat vrijwillig elke week komt voor verdieping buiten het curriculum. Die studenten komen tekort omdat het algemene niveau wordt bepaald door het gemiddelde. Dat remt de besten af.’
Cum laude
Tijdens het gesprek lardeert de hoogleraar zijn betoog met voorbeelden uit de dagelijkse praktijk die aantonen hoe hem zijn autonomie is ontnomen. Hij verzoekt ze niet ‘in de krant’ te zetten, omdat hij niet aan de poten van zijn instelling wil zagen terwijl het probleem niet uitsluitend Twents is, maar landelijk.
Om het tij te keren, pleit Stramigioli ervoor om het Humboldtiaanse model in ere te herstellen. ‘Bestuurders moeten weer enablers worden. Ze zijn er om de primaire processen mogelijk te maken.’ In een moderne variant zou de academische gemeenschap een soort parlement kunnen vormen, met stemrecht voor hoogleraren en gekozen vertegenwoordigers. Het bestuur fungeert als uitvoerende macht. ‘De regering moet steun hebben van het parlement om besluiten uit te voeren. In Italië bestaat er nog steeds een academische senaat. Ook in Duitsland is de positie van hoogleraren een stuk sterker.’
Maar Stramigioli ziet tot zijn grote spijt dat de situatie in Nederland zich eerder verder de verkeerde kant op beweegt. Er is dan ook een zekere oorlogsmoeheid in hem geslopen. De directieven van boven en bureaucratische rompslomp gaan hem niet in de koude kleren zitten, bekent hij. ‘Het is denigrerend en demotiverend. Dan gaat de lol er wel een beetje af.’
‘Natuurlijk ben ik wetenschapper in hart en nieren. Dat blijf ik tot mijn laatste adem.’ Maar zijn relatie met de instelling is veranderd. Toen de Universiteit Twente – zonder de hoogleraren te consulteren – onlangs besloot om het predicaat cum laude af te schaffen, knapte er iets. ‘Als ik nog een ERC krijg, komen de meest ambitieuze studenten dan naar Twente om met mij te werken, of kiezen ze voor een andere universiteit waar ze cum laude kunnen krijgen als ze hard genoeg werken? Als ik nog student was, zou ik voor de tweede optie gaan. Voor mij is het dus de vraag of ik een eventuele tweede ERC nog in Twente zou moeten doen.’
Hoofdbeeld: Universiteit Twente


