Datum: 13 maart 2026

Machinebouw stuwt Nederlandse r&d-intensiteit (maar het houdt niet over)

Het is voornamelijk aan de machinebouw te danken dat de private r&d-intensiteit van Nederland nog een beetje wil groeien. Over de hele linie gaan de r&d-investeringen niet gelijk op met de economie, waardoor het niet wil vlotten met de doelstelling om 3 procent van het bbp in r&d te steken.
Paul van Gerven

Het Nederlandse bedrijfsleven is tussen 2015 en 2021 meer gaan investeren in r&d, maar omdat de economie harder groeide, nam de r&d-intensiteit slechts marginaal toe. Deze ontwikkeling verklaart in belangrijke mate waarom Nederland maar nauwelijks dichter bij de Europese ambitie komt om 3 procent van het bbp aan r&d (privaat én publiek) te besteden, stelt het ministerie van Economische Zaken in een recent verschenen rapport.

Tussen 2015 en 2021 stegen de private r&d-uitgaven met 37 procent. Doordat de omvang van hun toegevoegde waarde ook hard is gegroeid, had deze toename een beperkte weerslag op de r&d-intensiteit. Deze nam 0,13 procentpunt toe, van 1,52 naar 1,65 procent van de toegevoegde waarde.

Alarmsignaal

De Nederlandse machinebouw trok de kar. Deze sector leverde met 0,11 procentpunt veruit de grootste bijdrage aan de stijging van de totale r&d-intensiteit. Binnen de machinebouw zelf nam de r&d-intensiteit echter licht af, net als in andere belangrijke r&d-bedrijvende sectoren, zoals chemie, elektrotechniek en transportmiddelen.

Bron: EZ-rapport ‘Van realiteit naar ambitie: Investeringspatronen en structurele verschillen in r&d door bedrijven in de context van de 3-procentdoelstelling.’

Maatregelen die r&d-intensivering van sectoren stimuleren zouden een bijdrage kunnen leveren om de Europese doelstelling te gaan halen. Vooral de vijf procent met de hoogste uitgaven (r&d-toppers) en de vijf procent daar net onder (subtoppers) zijn interessant: hun investeringsbedragen zijn zo groot dat relatief kleine veranderingen grote gevolgen kunnen hebben voor het behalen van de 3-procentsdoelstelling.

Er zijn echter grote verschillen tussen de ontwikkelingen bij de r&d-toppers en subtoppers. De toppers hebben hun r&d-investeringen in de periode 2015-2021 fors verhoogd, met 25 procent (opnieuw: hun toegevoegde waarde groeide harder). Vanuit economisch oogpunt valt dan ook te beargumenteren dat extra stimulus niet nodig is.

Bij de subtoppers namen de r&d-investeringen gemiddeld met vier procent toe over de gehele periode, maar vanaf 2018 daalden ze. De afnemende r&d-intensiteit is hier dus wel problematisch en valt het te overwegen om stimulerende maatregelen te nemen.

Het effect van het stimuleren van r&d-intensiteit van bestaande bedrijven valt echter tegen, blijkt uit de analyse van EZ. Zo zou de totale r&d-intensiteit 2,24 procent in plaats van 2,18 procent van het bbp zijn geweest in 2022 als alle bedrijven hun r&d-intensiteit gelijk hadden gehouden van 2015 tot 2021.

Om de 3-procentsdoelstelling te behalen, is het daarom hoe dan ook noodzakelijk dat er nieuwe bedrijvigheid bijkomt in de vorm van start-ups en scale-ups of van buitenlandse bedrijven die zich in Nederland vestigen.