Jan van der Heyden, kunstschilder, uitvinder en systeemdenker avant la lettre

Jan van der Heyden geldt als de Leonardo da Vinci van de Lage Landen. Hij was niet alleen kunstschilder, maar ook uitvinder van de slangbrandspuit en het straatverlichtingssysteem waarmee Amsterdam uitgroeide tot dé lichtstad van Europa. Zijn tot in de puntjes uitgewerkte plannen voor zijn uitvindingen zijn nu te zien op een tentoonstelling in het stadsarchief van Amsterdam. Uit de tentoonstelling blijkt dat zeventiende-eeuwer Jan van der Heyden een systeemdenker was.

Youri van Heumen
Titia Koerten
7 juni

Jan van der Heyden (1637 – 1712) groeide op in Gorinchem, maar op zijn negende verhuisden zijn ouders naar Amsterdam. Hij begon zijn carrière in de luxe spiegelwinkel van zijn broer op de Dam, maar maakte al snel naam als schilder van stadsgezichten. Over zijn opleiding is verder niets bekend, maar hij interesseerde zich ook voor werktuigbouwkunde en hij was een gewiekst zakenman.

Olielampen met glazen kap

In 1669 diende Van der Heyden een plan in om een straatlantaarnsysteem voor Amsterdam te introduceren. Het was een verbetering van een plan dat al eerder door iemand anders was ingediend. De uitvoering van dit oorspronkelijke plan verliep echter niet goed: de lampen, van doorzichtig hoorn en uitgerust met twee pitten, walmden en gingen steeds uit. Jan van der Heyden koos voor een armatuur van metalen strips met glas op een houten paal. Goede ventilatie en een ingenieus oliereservoir zorgden ervoor dat de lampen in alle weersomstandigheden helder brandden. ‘Hij kon ook nauwkeurig bepalen wat de afstand tussen elke lantaarnpaal moest zijn’, vertelt Erik Schmitz, een van de samenstellers van de tentoonstelling. ‘Hierdoor wist hij precies hoeveel palen nodig waren om Amsterdam te verlichten.’

Bovendien rekende Van der Heyden uit hoeveel lampopstekers en oliebijvullers er nodig waren en stelde een hele waslijst aan nadere instructies op. Zo mocht een bijvuller de ladder niet te hard tegen de lamp zetten, om oliemorsen te voorkomen, en in de herfst moesten de spinnenwebben tijdig van de lantaarn worden geveegd. Door zijn moderne openbare verlichting groeide Amsterdam in de tweede helft van de zeventiende eeuw uit tot de lichtstad van Nederland en zelfs van Europa. Doordat het ’s nachts niet meer donker was, waagden meer mensen zich ’s avonds op straat en bloeide het nachtleven op.

Brandslang

Amsterdam werd in de zeventiende eeuw regelmatig geteisterd door branden. Huizen stonden dicht op elkaar, waren vaak nog van hout, en brandgevaarlijke bedrijfjes als suikerbakkerijen, zeepziederijen en vetsmelterijen lagen vaak midden in dichtbevolkte woonwijken. Het blussen gebeurde met emmertjes water die uit de grachten werden geschept en in twee lange rijen werden doorgegeven. Vaak verdampte het water al voordat het vuur werd bereikt.

Er waren ook al brandspuiten: getrokken door paarden, met een vast spuitstuk, die je dicht bij het brandende pand moest zetten. Van der Heyden bedacht samen met zijn broer Nicolaas een flexibel spuitstuk van leer in de vorm van een slang. Die slang was handzamer dan de statische brandspuit met vast spuitstuk, waardoor blussen effectiever verliep. Zo kon je met de slang lopend een brandend pand binnengaan en de brand van binnenuit blussen, de zogenaamde ‘binnenaanval’.

Op de tentoonstelling in Amsterdam staat een brandspuit van Van der Heyden opgesteld. Hier zie je hoe emmers water in een grote waterzak kunnen worden gegooid – later wordt dit gedaan door een pomp, ook een uitvinding van Van der Heyden – dan stroomt het water automatisch naar de brandspuit. Het water wordt onder druk gebracht en dan naar de brandslang gepompt.

Dwarsdoorsnede van een brandend huis met spuitgasten, circa 1690. (Voorstudie voor het Brandspuitenboek van 1690)/ Stadsarchief Amsterdam

17e-eeuws businessplan

Er waren tijdgenoten die ook plannen indienden om de stad te verbeteren, Jan van der Heyden was zeker niet enige uitvinder. Erik Schmitz legt uit waarom de plannen van Van der Heyden zo succesvol waren: ‘Van der Heyden heeft een hele nuchtere, logische aanpak die ook heel modern aandoet. Hij dient een plan in waarbij elk probleem waar je tegenaan zou kunnen lopen, opgesplitst wordt in deelproblemen en elk deelprobleem wordt geanalyseerd. Vervolgens wordt voor elk deelprobleem een oplossing bedacht, maar dan in samenhang met die andere deelproblemen, waardoor het totaalplan ook functioneert zoals de bedoeling is. Dat was bij voorstellen die door anderen werden ingediend wel anders. Die hadden dan één briljant idee en als dat dan maar uitgevoerd werd dan zou de rest vanzelf volgen.’

Van der Heyden laat niets aan het toeval over. In zijn plan wordt niet alleen de werking van zijn brandslang gedemonstreerd, hij maakt ook een voorstel voor de organisatie van de brandbestrijding. Hij stelt voor om in elk van de zestig stadswijken een brandspuit te plaatsen en de hele organisatie erachter is tot in de puntjes uitgewerkt. Het is alsof je een 17e-eeuws businessplan inkijkt. Hij kan voor de illustraties handig gebruik maken van zijn teken- en schildertalent. Van der Heyden laat ook geen gelegenheid onbenut om de lezer erop te wijzen dat zijn uitvindingen zoveel beter en effectiever zijn dan die van de concurrenten.

In feite is de hedendaagse brandweer in grote lijnen nog steeds georganiseerd op de manier zoals Van der Heyden het ooit heeft bedacht: zo snel mogelijk op een effectieve manier water naar de brand brengen. En als uitvinder van de ‘binnenaanval’ wordt Van der Heyden wereldwijd nog steeds op handen gedragen.

Bij de tentoonstelling verschijnt het boek Amsterdam in vuur en vlam. Het Brandspuitenboek van Jan van der Heyden (1637-1712) door Jan de Klerk en Erik Schmitz.

Er is ook een driedelige podcastserie, gemaakt door Sil Biesbroek en Melanie Seuren met dezelfde titel. Kijk hiervoor op: www.amsterdam.nl/stadsarchief/