Industrie krimpt, ‘ASML houdt bijna eigenhandig de machinebouw op de been’

Tom Cassauwers
Leestijd: 3 minuten

De Nederlandse industrie zit in de problemen. Een verslechterende conjunctuur en een aanhoudende hoge rente snijden diep in de sector. De machinebouw is daarbij extra kwetsbaar, ondanks lichtpuntjes zoals ASML. Albert Jan Swart, sectoreconoom Industrie en Transport en Logistiek bij ABN Amro legt uit wat de toekomst mogelijk brengt.

De productieomvang van de Nederlandse industrie was in september voor een zevende maand op rij kleiner. Bijna een kwart van de bedrijven maakte die maand een melding van een productiedaling. ABN Amro verwacht dat de Nederlandse industriële productie dit jaar met 7,5% zal dalen.

‘De bedrijvigheid loopt snel terug’, stelt Swart. ‘De vertragende economische groei en verhoogde rente hebben duidelijk vat gekregen op de industrie. Dat is een internationaal fenomeen. In praktisch de hele Eurozone lopen de industriële activiteiten terug. Dat toont zich ook in Nederland. De productie, nieuwe orders, orderportefeuille en werkgelegenheid lopen terug in de industrie.’

Voor het eerst komt er nu een vermindering van het personeelsbestand. ‘We zagen tot nu toe dat industriële bedrijven hun personeel vasthielden, ondanks dat er minder vraag was’, stelt Swart. ‘Maar nu verlengen bedrijven voor het eerst tijdelijke contracten niet meer. Dat duidt op pessimisme. Bedrijven denken dat de vraag in de nabije toekomst niet zal stijgen.’

Vroegcyclische sector

Het is geen verrassing dat de industrie harder getroffen wordt door de dalende conjunctuur. Zo is de sector vaak de eerste om zo’n neergang te voelen. ‘De industrie is een erg vroegcyclische sector’, stelt Swart. ‘Als de economische groei vertraagt, dan merkt de industrie dat heel snel. Omgekeerd groeit de industrie ook sneller wanneer de economie herstelt.’

Zo is de industrie erg gevoelig voor rentestijgingen, aangezien ze een kapitaalintensieve sector zijn wiens producten daarbovenop vaak bekostigd worden met leningen. Ook is het makkelijker om de aankoop van, bijvoorbeeld, een machine uit te stellen, dan van basisproducten. In mindere economische tijden daalt de vraag naar heel wat industriële goederen dus sneller.

‘Voedingsmiddelen zijn bijvoorbeeld een veel stabielere branche dan de hoogtechnologische industrie’, stelt Swart. ‘Iedereen moet nu eenmaal eten, recessie of niet.’

Ondertussen blijft de reactie van bedrijven op deze slechte conjunctuur niet uit. Voorraden worden bijvoorbeeld verminderd, en investeringsbeslissingen worden uitgesteld. ‘Energie besparen is een andere actie die populair is, want verduurzamen moeten ze toch’, stelt Swart. ‘Nu kijken bedrijven ook naar hun loonkosten, die in Nederland snel stijgen. Het minimumloon is verhoogd, en in de collectieve arbeidsovereenkomsten zijn forse loonstijgingen opgenomen. De loonkosten zijn in twee jaar tijd met ruim 11% gestegen. Dat gaat behoorlijk hard, en het lijkt erop dat bedrijven daarop willen bezuinigen.’

Rentedaling

Die evoluties worden weerspiegeld in de machinebouw. ‘Het gaat slecht met de machinebouw’, stelt Swart. ‘In het tweede kwartaal van dit jaar was de productie 21,1% lager dan hetzelfde kwartaal vorig jaar. In juli was dat 21,6% lager. Dat is een forse afname, wat erop duidt dat afnemers investeringen uitstellen en minder nieuwe machines kopen.’

‘De sectorcijfers worden op de been gehouden door onder andere ASML’, vervolgt Swart. ‘ASML en zijn toeleveranciers groeien namelijk nog wel. Zij trekken de cijfers nog een beetje omhoog. Ook producenten van machines voor bijvoorbeeld verpakkingen, voeding en de farmaceutische industrie doen het nog goed. De situatie bij veel andere machinebouwers is minder goed. De laatste jaren zag machinebouw natuurlijk een sterke groei, dus de krimp gebeurt vanaf dat historisch hoogtepunt. Maar ten opzichte van vorig jaar zijn het wel heel slechte cijfers.’ Swart stelt dat Nederland het niet extra slecht doet. We zitten rond het gemiddelde voor Europa, met landen zoals Duitsland die het slechter doen.

Wanneer de industrie een heropleving kan verwachten weet Swart niet. Maar hij stelt dat ergens volgend jaar het tij zal keren. ‘Pas wanneer de rente terug naar omlaag gaat, kan er een duidelijker herstel optreden’, besluit Swart. ‘De kapitaalmarkten verwachten een eerste rentedaling rond de zomer. Wij denken dat de Europese economie er zwakker voorstaat dan gedacht, en dat we de eerste rentedalingen in maart zullen zien. Het gaat erg slecht met de industrie, nieuwbouw en handel. De rente moet zeer waarschijnlijk omlaag aan het einde van het eerste kwartaal, zoniet dan zal de economische schade te groot zijn.’